Stel je voor: je komt moe van je werk en het eerste wat je ziet is je puber die vlak voor de toetsweek ligt te chillen op de bank. Geef maar toe: dit zijn van die momenten die binnen no time kunnen escaleren.
Later denk je: waarom reageerde ik zo heftig? Waarom kon ik niet gewoon eerst even contact maken? Het antwoord ligt vaak niet eens in wat je puber nu doet en de urgentie van die toetsen, maar in wat jij vroeger hebt meegemaakt.
Je triggers als drijfveren onder je gedrag
Veel ouders denken: “Dat ga ik net zo doen als mijn ouders” of “Dat ga ik anders doen.” Dat zijn bewuste keuzes over gedrag, het zichtbare niveau van opvoeden.
Maar er speelt iets diepers. In jouw jeugd zijn overtuigingen ontstaan over wat belangrijk is, hoe je liefde verdient, wat normaal is, hoe je waardevol wordt. Die overtuigingen sturen nu, vaak onbewust, hoe je reageert op de dingen om je heen, dus ook op je puber.
En dat merk je vooral als je getriggerd wordt in een emotie die nét wat heftiger is dan past bij de situatie.
Herkenbare triggers
Je wordt boos als je puber luiert
Mogelijk zit hieronder: “Eerst werken, dan ontspannen” of “Wie niet werkt, is lui.” Misschien groeide jij op in een gezin waar hard werken de norm was, waar rust verdacht was, waar je altijd bezig moest zijn om je nuttig te voelen.
Diepere overtuiging: Je waardigheid verdien je door hard te werken.
En nu ligt je puber op de bank te scrollen en voelt het alsof je kind iets fundamenteel verkeerd doet – terwijl je puber gewoon even rust.
Een slecht cijfer raakt je enorm
Mogelijk zit hieronder: prestaties waren het bewijs dat je het goed deed. Misschien was liefde thuis gekoppeld aan succes, waren goede cijfers de manier om trots te maken, was falen niet bespreekbaar.
Diepere overtuiging: Je bent pas waardevol als je presteert.
En nu komt je puber thuis met een onvoldoende en je raakt overstuur. Je weet heus wel dat één cijfer zo erg is, maar toch voelt het heftig, als falen, en dat ‘mag’ niet.
Je wordt boos als je puber luiert
Mogelijk zit hieronder: “Eerst werken, dan ontspannen” of “Wie niet werkt, is lui.” Misschien groeide jij op in een gezin waar hard werken de norm was, waar rust verdacht was, waar je altijd bezig moest zijn om je nuttig te voelen.
Diepere overtuiging: Je waardigheid verdien je door hard te werken.
En nu ligt je puber op de bank te scrollen en voelt het alsof je kind iets fundamenteel verkeerd doet – terwijl je puber gewoon even rust.
Diepere overtuiging: Je bent pas waardevol als je presteert.
En nu komt je puber thuis met een onvoldoende en je raakt overstuur. Je weet heus wel dat één cijfer zo erg is, maar toch voelt het heftig, als falen, en dat ‘mag’ niet.
Je kind doet brutaal en jij voelt je aangevallen
Mogelijk zit hieronder: jij mocht nooit tegenspreken. Respect betekende gehoorzaamheid, je eigen mening gaven was onbeleefd, conflict was gevaarlijk. Misschien was jij de ‘lieve’ thuis tussen alle onrust die er was.
Diepere overtuiging: Conflict is gevaarlijk, je moet het iedereen naar de zin maken.
En nu zegt je puber iets met een scherpe ondertoon en het voelt alsof de grond onder je wegzakt. Achteraf kun je het heus wel plaatsen, dat puberbrein enzo, maar op het moment zelf voelt zo’n opmerking als gebrek aan respect. En dat mag niet van het ‘kind’ in jou.
Wat doe je ermee?
Deze triggers zijn heel normaal en ook niet erg. Iedereen heeft ze op een of andere manier. Het wordt pas een probleem als je er niet naar kijkt, als je je laat leiden door die oude overtuigingen zonder stil te staan bij wat er speelt. Vaak zie je het eerder bij een ander, bijvoorbeeld je partner, dan bij jezelf.
Hier zijn vier stappen om bewuster om te gaan met je eigen triggers:
1. Herken de trigger
Let op wanneer je disproportioneel reageert. Vraag jezelf: past mijn reactie bij wat er nu gebeurt? Als je boosheid, verdriet of angst groter is dan de situatie vraagt, is er waarschijnlijk meer aan de hand.
2. Kijk naar de overtuiging
Welke zin hoor je in je hoofd? “Zo hoort het niet”, “Dit is lui”, “Dat is respectloos.” (“Dat vind ik gewoon niet ok”). Waar heb je die overtuiging opgedaan? Wat was de boodschap in jouw jeugd over dit onderwerp?
3. Check de realiteit
Is deze overtuiging nog waar? Past dit bij de situatie van nu? Is dit wat je jouw kind wil meegeven? Soms is het antwoord ja – sommige waarden uit jouw jeugd wil je behouden. Maar soms is het antwoord nee. Want je kent je eigen kind en je kunt niet zomaar jouw situatie op die van je kind plakken.
4. Maak een bewuste keuze
Je hoeft niet alles anders te doen dan je ouders. Je hoeft niet alles hetzelfde te doen. Je kunt kiezen: wat past bij mij, bij mijn kind, bij deze tijd? Dat is iets heel anders dan automatisch reageren vanuit een oud patroon.
Tot slot
De volgende keer dat je puber iets doet dat je enorm triggert, denk dan in jezelf: stop, pauze, adem. Vraag jezelf: gaat dit over nu, of over toen?
Je hoeft je verleden niet perfect verwerkt te hebben om een goede ouder te zijn. Het helpt vaak wel als je ook kritisch naar jezelf kijkt. En soms, heel soms, te erkennen dat die boosheid over de rommelige kamer of dat luieren op de bank eigenlijk nergens over gaat.
Dat scheelt dan weer een scène, je komt geloofwaardiger over op je kind (want die voelt ook als iets niet klopt), en het leuke is: dan krijg je ook weer meer gedaan 🙂



